In de bestseller Wij zijn ons brein (2010) stelt de internationaal erkende hersenonderzoeker, Dick Swaab dat Anorexia nervosa een hersenziekte is. Maar hoe houdbaar is die stelling? Daar plaats ik in dit artikel de nodige vraagtekens bij.
Swaab ageert in zijn boek tegen de mythe dat je anorexia krijgt door het zien van extreem dunne modellen en stelt dat de achtergrond van anorexia nervosa vooral in het brein gezocht moet worden. ”Om welk ziekteproces het hier gaat is onbekend, maar het moet zich afspelen in de hypothalamus” (Swaab, 2010, p.173). ”Alle symptomen wijzen erop dat het een ziekte van de hypothalamus is” (p. 174).
Het is terecht dat Swaab stelt dat het een mythe is dat je een anorexia krijgt door het zien van super dunne fotomodellen, want dan zouden de meeste vrouwen anorectisch worden. Gelukkig is dat niet het geval. De meeste vrouwen vinden die extreem dunne vrouwen helemaal niet aantrekkelijk en doen geen moeite om daar op te lijken. Voor een beperkte groep jonge vrouwen die een negatieve lichaamsbeleving hebben en zich te dik voelen vormen extreem dunne modellen echter wel een ideaal waar ze zich aan spiegelen. Als het hen lukt om af te vallen neemt hun zelfwaardering toe, en daar ontbrak het hen juist aan in de periode voorafgaande aan de eetstoornis. Niet extreem dunne modellen vormen de oorzaak van anorexia nervosa, maar het negatieve zelf- en lichaambeeld dat ze hopen te verbeteren door extreem te vermageren.
Een ander argument dat Swaab geeft voor zijn stelling is dat bij 20% van de vrouwen die een eetstoornis ontwikkelt de menstruatie al weg blijft nog voordat er sprake is van ernstig gewichtsverlies. Dat wijst volgens hem op een primair ziekteproces in de hypothalamus, evenals het gegeven dat na gewichtsherstel een aantal symptomen blijven bestaan, zoals stoornissen in de schildklier en de bijnier en de preoccupatie met eten en calorieën. “Ook die blijvende symptomen wijzen erop dat er een ziekteproces in de hersenen aan de gang is en de symptomen van anorexia niet uitsluitend het gevolg zijn van gewichtsverlies.” (p. 175).
Het wegblijven van de menstruatie van deze groep anorectische vrouwen kan echter heel goed verklaard worden door de extreme voedselreductie die voorafgaat aan het gewichtverlies. Met name wanneer vrouwen bij het begin van hun lijngedrag een redelijk gewicht hadden ,duurt het langer voordat er sprake is van ernstige gewichtsverlies. Sterke voedselreductie kan bij sommige vrouwen al voldoende zijn om de menstruatie te doen stoppen
Een volgend argument van Swaab voor zijn stelling is dat alle symptomen van anorexia ook optreden bij een cyste of tumor in de hypothalamus, zoals wegblijven van de menstruatie, verlaagde spiegels van geslachtshormonen, vermindering van het libido, verlaging van de schildklierfunctie, snellere werking van de bijnier en stoornissen in de waterbalans en het dag- en nachtritme” (174). Swaab concludeert dan ook “dat een primaire hypothalame aandoening alle symptomen van anorexia kan veroorzaken en dit ziektebeeld geheel zou kunnen verklaren.” (p. 175).
Dat ondervoeding en sterke vermagering bij anorexia patiënten grote gevolgen heeft voor het functioneren van de hypothalamus is een bekend gegeven, maar daarmee is een hypothalame stoornis nog geen oorzaak van anorexia nervosa. Door de oorzaak uitsluitend te zoeken in de verstoorde functie van de hypothalamus wordt voorbij gegaan aan allerlei psychosociale factoren die vooraf gaan aan het ontwikkelen van anorexia nervosa, zoals weinig zelfvertrouwen, negatieve lichaamsbeleving, moeite hebben met het uiten van negatieve emoties, angst voor afwijzing en gepest worden met het uiterlijk of gewicht. Voor deze risicofactoren is tamelijk veel evidentie in internationaal onderzoek. Dat sommige vrouwen die last hebben van deze risicofactoren de “oplossing” zoeken in extreem lijngedrag en vermageren staat echter niet los van het cultureel dominante slankheidsideaal dat hen wordt voorgespiegeld in de media.
Swaab wijst erop dat 93% van de anorexia patiënten vrouw is. “Blijkbaar loop je met hersenen die in de vrouwelijk richting zijn gedifferentieerd (…) meer kans op deze ziekte” (p. 174). Maar de verklaring voor het feit dat anorexia nervosa veel vaker voorkomt bij vrouwen dan bij mannen kan heel goed gevonden worden in het grote verschil in lichaamsidealen. Voor mannen wordt namelijk een sterk gespierd lichaam als ideaal gezien. Het mannelijk equivalent van een eetstoornis moet dan ook gezocht worden in het ontwikkelen van ‘muscle dysmorphia’, waarbij ze erg ontevreden zijn over hun gebrek aan gespierdheid. Door extreem sporten proberen ze zoveel mogelijk aan dat ideaal te voldoen, maar doordat ze zich te weinig gespierd blijven voelen gaan ze steeds verder doorgaan met het trainen van hun spieren.
Tot slot wordt ook het gegeven dat na gewichtsherstel een aantal symptomen blijven bestaan, zoals stoornissen in de schildklier en de bijnier en de preoccupatie met eten en calorieën door Swaab gezien als indicatie dat het bij anorexia gaat om een hersenziekte. Maar daarbij wordt herstel van anorexia nervosa ten onrechte gelijk gesteld aan gewichtsherstel, terwijl er uiteraard geen sprake is van volledige herstel zolang ze nog geobsedeerd zijn door eten en calorieën! Uit diverse internationale publicaties blijkt dat duurzaam herstel van anorexia nervosa beslist meer inhoudt dan herstel van gewicht. Ook psychische factoren als het ontwikkelen van meer zelfvertrouwen, een positievere lichaamsbeleving en betere vaardigheden om met negatieve emoties om te gaan zijn belangrijk, evenals het verbeteren van sociale coping vaardigheden. Daarvoor verwijs ik graag naar mijn boeken Gids voor herstel van eetstoornissen (2007), De Tijdstroom, Utrecht en Uit de ban van emotie-eten (2011), Servire. Utrecht.
Conclusie
Dat ernstige uithongering en vermagering bij anorexia nervosa gevolgen heeft voor de hypothalamus zal niemand betwijfelen. De cruciale vraag is echter of hypothalame afwijkingen de oorzaak zijn van de anorexia nervosa, of het gevolg hiervan. Belangrijk is ook de vraag of hypothalame gevolgen in het brein omkeerbaar en herstelbaar zijn. Om die vragen te kunnen beantwoorden is prospectief onderzoek nodig, waarbij breinonderzoek wordt gedaan naar zowel de periode voorafgaande aan het ontwikken van de eetstoornis, als de periode tijdens de ernstige fase van de eetstoornis, en de periode van volledig herstel om na te gaan of afwijkingen in het brein wel of niet verdwijnen. Zolang prospectief hersenonderzoek naar de oorzaak van anorexia niet gedaan is, blijft de uitspraak dat anorexia als hersenziekte is aanvechtbaar.
Het aantal Nederlanders dat aan ernstig overwicht lijdt is sinds 1981 bijna verdubbeld tot tien procent van de bevolking. Steeds vaker ligt de oorzaak in het niet goed omgaan met emoties. Dan helpt alleen psychologische behandeling. ‘Hen aanzetten tot minder eten en meer bewegen heeft geen enkele zin.’
